De beroepsgerichte les

Een leeromgeving ontwerpen waar leren & werken mogelijk gemaakt wordt en waar je dus een beroep kunt leren, vraagt altijd om teamwork. Je hebt immers meerdere  disciplines en expertises nodig om het beroep onder de knie te krijgen en ook nog eens -zoals wij in het huidig stelsel van het mbo vragen- een goed burger te worden. Maar wat betekent dat dan voor de lerarenopleiding die docenten aflevert die ook in het beroepsonderwijs kunnen werken?

Afgelopen week verzorgde ik een gastles getiteld ‘de beroepsgerichte les’ voor de lerarenopleiding van Instituut Archimedes (Hogeschool Utrecht). Gedurende twee uur mocht ik de studenten die gekozen hebben voor de beroepsgerichte uitstroomrichting van hun opleiding, inspireren met het gedachtegoed van de hybride leeromgeving. Deze studenten lopen stage in een vmbo of mbo-instelling en worden opgeleid voor de schoolvakken zoals wij die traditioneel kennen; in deze groep zaten studenten die gekozen hadden voor de vakken wiskunde, duits, frans, engels, Nederlands, biologie en techniek. De beroepsgerichte uitstroomrichting is nieuw en is voortgekomen uit de constatering dat de lerarenopleiding niet voldoende opleidde voor het (v)mbo.

De uitdaging voor mij was: hoe breng je het principe van de leeromgeving en het beroepsgericht denken terug naar de beleveniswereld van de aankomende leraar (die met name het klaslokaal als referentiekader heeft)? Mijn ervaring is dat docenten die al werkzaam zijn in het beroepsonderwijs veel herkennen in onze manier van denken: vaak zijn zij zelf al eerder tegen de grens van het ‘onderwijsdenken’ aangelopen, waarin met name de docenten van ‘schoolvakken’ zich maar al te vaak teruggeworpen voelen tot het klaslokaal. Het Model voor het ontwerpen van beroepsgerichte leeromgevingen (Zitter & Hoeve, 2013) helpt hen dan om te gaan zoeken naar de verbinding met collega’s en met de beroepspraktijk.

Ooit heb ik ook de lerarenopleiding gevolgd. In twee vakken toen nog – ik deed Nederlands en Duits-, waarbij je het ene vak afrondde op 2e graads niveau (Nederlands voor mij) en het andere vak op 3e graads niveau. Alles wat ik leerde was gericht op lesgeven in een klaslokaal, nooit is er aandacht geschonken aan beroepen of beroepsonderwijs (wij werden in die tijd opgeleid voor de lts en de huishoudschool). In sommige opleidingen was dat wel het geval: een kennis en generatiegenoot vertelde me dat zij een half jaar stage heeft moeten lopen in een instelling om het 2e graads diploma van het vak Huishoudkunde te kunnen behalen. Zij heeft daardoor wel een idee ontwikkeld van het belang van haar vak in de praktijk, van de beroepsomgeving waar ze haar leerlingen voor moest opleiden. Voor de talen was dat blijkbaar geen vereiste, toen al niet.

Nu er -gelukkig- een beroepsgericht uitstroomprofiel in de lerarenopleiding mogelijk is, wordt het een belangrijke taak voor de lerarenopleidingen om goed na te denken wat deze omgeving vraagt van een docent in het mbo, zowel wat betreft de generieke als de beroepsgerichte vakken. Mijn boodschap aan de studenten van lerarenopleidingen met het beroepsgerichte uitstroomprofiel zou ik willen samenvatten in drie punten:

  • Ontwikkel nieuwsgierigheid naar de beroepen van de leerlingen: waar willen zij naartoe, wat vraagt dat beroep van hen en hoe kan jij daar met jouw vakgebied daarbij aansluiten? Het zou mooi zijn als lerarenopleidingen met name die nieuwsgierigheid stimuleren en activeren.
  • Je bent niet alleen verantwoordelijk voor je eigen (school)vak: een beroep leren kent meerdere dimensies en daar heb je je collega’s voor nodig: hoe kan je samenwerken met collega’s en elkaars expertise optimaal benutten?
  • Leer te bewegen van vakgerichte inhoud naar betekenisvolle situaties naar beroepsgerichte contexten en vice versa. Niet alles wat je (aan)leert hoeft precies bij het beroep aan te sluiten (zie de de opdracht om goede burgers af te leveren), maar als jijzelf als docent die context niet kent (zie nieuwsgierigheid), zal je deze beweging ook niet kunnen maken.

Ik realiseerde me tijdens deze gastles weer dat we nog een flinke opdracht hebben zolang het archetype beeld van een docent (klaslokaal, methode, uurtjesrooster, eigen vakgebied) nog dominant blijft in het beroepsonderwijs. De beweging naar betekenisvol onderwijs wordt denk ik wel gemaakt, maar de focus op beroepen vinden mensen moeilijk. Het is juist de kunst van het verbinden die de leeromgeving krachtig kan maken. Je hoeft niet alles zelf te weten, de docent van de toekomst is immers een team (citaat van Ton Bruining)!

De lerarenopleiding zou daar zelf natuurlijk het goede voorbeeld in kunnen geven en haar eigen opleiding veel meer hybride inrichten. Daar ligt denk ik nog een mooie uitdaging.

Deze blog is ook geplaatst op: https://ontwerpruimteberoepsonderwijs.wordpress.com. Blog van Ilya Zitter en Erica Aalsma over ontwerpen in het beroepsonderwijs

 

Een stap naar achteren zetten

Herontwerpen is een heel normaal woord geworden in de wereld van het beroepsonderwijs. Het stelsel verandert nogal eens en de kwalificatiedossiers, die het eindniveau van de opleidingen beschrijven, worden regelmatig grondig gewijzigd. Het gevolg van deze aanpassingen is dat het onderwijs opnieuw ontworpen moet worden.

Ik weet niet of het komt door de vele elkaar opvolgende regelingen of stelselwijzigingen, maar ik merk dat het begrip helaas enorm verschraald is. Als een team gaat werken aan een herontwerp, betekent het veelal dat er gewerkt gaat worden aan een centraal opgestelde spreadsheet, waarin allerlei gegevens kunnen worden ingevuld.

Gemakkelijk, ja dat is het zeker. Maar inspireert dit? Hebben teams het gevoel dat ze echt aan een nieuw ontwerp werken? Bieden de spreadsheets ook ruimte voor nieuwe aanpak, andere keuzes? Ik ben bang (en ervaar) dat het antwoord op deze vragen steeds weer ‘nee’ is.

Ik sprak onlangs Giel Hanraets (ROC Midden Nederland) onder andere over dit onderwerp. Zijn woorden zijn blijven hangen en gebruik ik sindsdien nogal eens: “Docenten zouden vaker een stap achteruit moeten zetten en als team hun opleiding aanschouwen”. Ik deel deze tip graag op dit blog, want inderdaad: herontwerpen begint bij het zetten van een stap achteruit!

Deze blog is ook geplaatst op: https://ontwerpruimteberoepsonderwijs.wordpress.com. Blog van Ilya Zitter en Erica Aalsma over ontwerpen in het beroepsonderwijs

Ontwerpen of uitvoeren?

Laatst vroeg ik aan een onderwijsteam, waar ik aan het werk was, naar hun onderwijsontwerp. Ik kreeg verbaasde blikken en vragen naar wat ik bedoelde en zocht. Het woord ‘curriculum’ hielp en het zou me toegestuurd worden. Bij de ontvangst van de stukken was het mijn beurt voor verbaasde blikken: ik kreeg een set spreadsheets toegestuurd met daarin de jaarplanning voor de verschillende leerjaren.

Ontwerpen in het beroepsonderwijs is geen gangbare taak of rol. Dat wordt me elke dag duidelijker in mijn werk met onderwijsteams in het beroepsonderwijs.  Hebben we het onderwijs daarmee verschraald of laten verschralen? Ik denk het wel. Een docent is in de loop der tijd een uitvoerder van onderwijs geworden en geen ontwerper ervan.

In deze blog: http://www.onderwijsfilosofie.nl/opinie-stukken/ontwerpers-van-het-onderwijs/ worden verschillende typeringen beschreven voor docenten in de rol van ontwerper. Ik ondersteun in dit stuk de beschrijving van een ideaal-typische docent-ontwerper:

Het ideaaltype docent-ontwerper is een creator van zowel relaties, omgevingen als inhoud. (…). De docent is niet gericht op eenvoudigweg meer kennisoverdracht, meer orde in de klas of hogere cijfers, maar maakt hier hooguit gebruik van op zoek naar nieuwe, nooit gedane, verrassende en/of ongehoorde mogelijkheden van het onderwijs. Deze docent zoekt consequent naar een zekere verschoning, doorbreking of dwarsdenken – binnen of op de grens van de institutionele, systematische structuur van het hedendaags onderwijs. Het is hierbij van geen belang om de nut of zinvraag te stellen van de resultaten die hij hiermee behaalt – een antwoord zal simpelweg altijd verwijzen naar de waarde van het proces zelf. Deze docent zoekt naar de mazen in het systeem, wil veel ruimte om zelf het handelen te bepalen, doorbreekt controle-middelen of hiërarchische structuren. Deze docent is met recht een ontwerper – hij wordt meer dan iemand anders gekenmerkt door een unieke, bewuste combinatie die hij net als een ontwerper maakt tussen esthetiek en politiek – waardoor hij (impliciet) oog heeft voor, en uitdrukking geeft aan, hetgeen mooi en belangrijk is aan ons onderwijs.

Het beroepsonderwijs kan veel meer van deze docenten gebruiken, zeker in deze sector, waar Leren voor een beroep veel meer maatwerk zou moeten zijn dan het nu is. Het hybride gedachtegoed is gebaseerd op ontwerpprincipes: het zegt niet hoe het leren voor een beroep eruit moet komen te zien, het biedt een kader – een bril-  waardoor je kunt kijken naar je onderwijs. En daarmee kan je dus je onderwijs ontwerpen. De uitgangspunten en de ontwerpprincipes zijn belangrijk, niet het uiteindelijke resultaat. De wettelijke kaders zijn dan niet leidend, maar vormen slechts de verantwoording aan de achterkant.

Als je de ontwerpprincipes van het hybride gedachtegoed volgt, kom je uit op onderwijs dat er anders uitziet: de beroepspraktijk staat centraal en niet het klaslokaal; de praktijkopleider/begeleider is veel prominenter aanwezig en de sfeer, omgeving wordt volledig gevoed door typische kenmerken van de beroepsgroep. Er zijn al vele mooie voorbeelden te zien van deze leeromgevingen, wat mij betreft mogen er nog vele volgen!

 

Deze blog is ook geplaatst op: https://ontwerpruimteberoepsonderwijs.wordpress.com. Blog van Ilya Zitter en Erica Aalsma over ontwerpen in het beroepsonderwijs

Professionaliseren van ‘leren in het werk’

In de TechniekFabriek van NedTrain (www.nedtrain.nl/techniekfabriek) werken we al geruime tijd aan de principes van de hybride leeromgeving: het leren en werken verbinden en verweven aan elkaar. We professionaliseren de leer-werk-omgeving door het curriculum om te buigen en door te werken aan het handelingsrepertoire van alle betrokken opleiders. Een interessant proces, omdat de druk van de operatie (‘bakken op de baan’ heeft altijd prioriteit) zo dichtbij het leerproces van de studenten zit. De TechniekFabriek is de poort naar het ‘echte werk’, dus worden de studenten deels in de beschermde, geconstrueerde omgeving opgeleid (samen met ROC van Twente en ROC van Amsterdam) en deels in de operatie (samen met het NS Leercentrum).

De TechniekFabriek werkt samen met diverse onderdelen van de NS om haar kennis en ervaring te delen in het bedrijf, dat ‘leren in het werk in een hybride omgeving’ in haar strategische doelstellingen heeft opgenomen. Dat betekent iets voor de professionalisering van de mensen die in de operatie leerlingen (en collega’s) begeleiden bij hun leerproces. Daarom zijn we nu gestart met een pilot ‘Professionaliseren leren in het werk’. Deze pilot is onlangs van start gegaan met een succesvolle kickoff. Op intranet van de NS is daarover een bericht geplaatst, waarvan hier een gedeelte (persoonlijke opmerkingen en bedrijfsspecifieke gegevens zijn weggelaten):

“Op 11 maart heeft de kick off plaatsgevonden van het project ‘Professionaliseren leren in het werk’. In dit project ligt de aandacht op leren op de werkplek, waar leren en werken in elkaars verlengde komen te liggen.
Mooi thema bij de start van deze kick off is: Leren is leuk! De hybride leeromgeving, zoals die ingezet wordt bij de TechniekFabriek, betekent van schoolbanken weer lekker aan het werk. Daarbij zijn praktijkinstructeurs een belangrijke schakel; zij begeleiden het leren in de productie.

De insteek van het project is meer naar de werkvloer, aan de slag zijn tijdens het werk, en daarom wordt er gebruik gemaakt van de zogenaamde ‘critical friends’ (noot: zie hierover ook mijn publicatie: http://www.ou.nl/documents/14300/3ec4f9f8-69ea-4e97-ba18-961dfdd11519). Dat betekent dat er een critical friend meeloopt in het werk en direct feedback geeft op wat hij/zij ziet. Tijdens de kick off is er uitgebreid ingegaan op de rol van deze critical friends en hoe je dit middel zo effectief mogelijk inzet in je eigen werk.

Een van de deelnemers aan de kickoff: “In eerste instantie leek het initiatief alleen bedoeld voor de leerlingen van de TechniekFabriek, maar het gaat om alle opleidingen waarbij praktijkinstructeurs betrokken zijn. Dat vind ik heel positief! Praktijkinstructeurs zijn jaren geleden opgeleid en het is nu belangrijk om daar weer eens kritisch naar te kijken. Hoe zorgen we dat de kwaliteit van uitvoering op peil blijft? Dat gaan we op deze manier doen. En dat gaan we samen doen, zowel de praktijkinstructeur als wel de direct betrokken managers”.

Het project staat in het teken van het versterken van de rijke leerwerkomgeving op de productielocaties, waar werken leren is en dus continue verbeteren! Ontwikkelen, delen én toepassen van kennis, direct verbonden met en afgeleid van organisatieresultaten. Praktijkinstructeurs en management hebben hierbij een cruciale rol. In het traject werken zij aan hun professionalisering in verbinden van leren aan werken.

Het project start klein met een pilot in twee Onderhoudsbedrijven en twee Servicebedrijven. Hierbij nemen per locatie telkens één manager en twee tot vier praktijkinstructeurs deel aan de pilot. Daarnaast zullen ook leerbegeleiders van het NS Leercentrum meedoen. De pilot zal tot eind augustus duren en dan zal er een evaluatie plaatsvinden om vervolgens te beslissen hoe verder te gaan met dit project.”

Aldus het intranet. Voor het gedachtegoed van de hybride leeromgeving is deze pilot een belangrijke stap: we gaan op zoek naar de beste omstandigheden om leren in het werk voor zowel aankomende als zittende beroepsbeoefenaren te realiseren. Daarin staat een breder handelingsrepertoire centraal van diegenen die op de werkvloer anderen begeleiden in het leren. NedTrain laat zien dat leren op de werkvloer opgebouwd moet worden vanaf de werkvloer en in samenhang door manager en team: leren in het werk vindt daar immers plaats!

‘Het prachtige risico van onderwijs’ en Leren voor een beroep

In 2014 verscheen ‘The beautiful risk of education’ van Gert Biesta. Een titel die me meteen aansprak en nieuwsgierig maakte. Gedreven door deze nieuwsgierigheid bezocht ik op 9 februari 2015 het mini-symposium in Driebergen ter gelegenheid van het uitkomen van de Nederlandse vertaling van het boek. De zaal zat afgeladen vol en dat zorgde mede voor een boeiende avond over een bijzonder boek.

Gert Biesta bekijkt het ‘prachtige risico’ vanuit het perspectief van de opleider/opvoeder/docent en zoekt vooral naar de manier waarop je ervoor kunt zorgen dat een kind ‘mens’ wordt (het doel van onderwijs volgens Biesta is: het bevorderen van het menszijn van een ander ‘menswezen’). Het kind begeleiden op dat pad is de essentie van de docent. Gert Biesta probeert met zijn boek aan te tonen dat onderwijspedagogische processen en praktijken niet op een machineachtige manier werken. Iedere poging om dat wel te bereiken, keert uiteindelijk tegen zichzelf. In de proloog zegt Biesta: ‘Dit boek gaat over wat veel onderwijzers weten, maar waar ze in toenemende mate van worden weerhouden over te spreken: dat onderwijs altijd een risico met zich meebrengt.’ Het risico van onderwijs bestaat volgens Biesta omdat het in het onderwijs niet gaat om het vullen van een emmer, maar om het aansteken van een vuur. Het risico bestaat omdat onderwijs geen interactie is tussen robots, maar een ontmoeting tussen mensen. Het risico bestaat omdat leerlingen geen objecten zijn die moeten worden getraind en gedisciplineerd, maar handelende en verantwoordelijke subjecten (pagina 15).

Hoewel Biesta zich vooral lijkt te richten op het algemeen vormend onderwijs, zie ik wel veel parallellen met het beroepsonderwijs. De laatste tijd spreek ik steeds vaker met mensen over het feit dat de ‘O’ van “onderwijs” ons in het beroepsonderwijs in de weg zit (zie ook mijn artikel in het boek ‘Onderwijshelden’ http://pamflet2-onderwijshelden.pinsite.nl/). Ons systeem vraagt van betrokkenen ervoor te zorgen dat de machine loopt en blijft lopen, dat elke opleiding efficiënt en snel georganiseerd wordt; dat er homogeniteit wordt toegepast: alle leerlingen hetzelfde rooster en door hetzelfde leerproces heen, gericht op hetzelfde einddoel voor iedereen. En dus proberen we beroepsonderwijs te organiseren vanuit een klaslokaal: daar hebben we immers maximale regie op het leerproces (denken we) en kunnen we het gemakkelijkst plannen en organiseren. Voor het Leren voor een beroep heb je (echter) ook een beroepspraktijk nodig. Een werkomgeving, waar je de fijne kneepjes van het vak leert, waar je de cultuur kunt ervaren, opsnuiven, proeven; kortom waar je een vak kunt leren. En die omgeving is dynamisch, niet altijd even voorspelbaar en wordt georganiseerd op totaal andere principes (productieprocessen, snelheid van werken, efficiëntie, resultaatgericht en -in de meeste gevallen- bedrijfsmatig of economisch renderend) dan de principes waarop we een schoolse leeromgeving bouwen. Met het gedachtegoed van de hybride leeromgevingen bouwen we aan het verbinden van beide leeromgevingen, zodat de leerling daarin als vanzelfsprekend leert en met beide werelden in samenhang kennismaakt.

De onderwijspedagogische insteek van Biesta spreekt me in dit kader aan. Hoewel ik het boek zeker nog niet helemaal gelezen heb (het is ‘stevige kost’, zoals op de avond in Driebergen ook herhaaldelijk gezegd werd) word ik blij van zijn benaderingswijze en zoektocht naar de pedagogische opdracht van het onderwijs of onderwijsgevenden. In het laatste hoofdstuk, Virtuositeit, raakt hij in mijn ogen aan het kernvraagstuk van het beroepsonderwijs als hij spreekt over het opleiden van leraren. Biesta vertrekt bij Aristoteles, die schrijft ‘dat een jonge man met praktische wijsheid niet kan worden gevonden.’ (pagina 196). Wijsheid komt met de jaren, maar beter misschien: wijsheid komt met ervaring. Hier werkt Biesta zijn gedachten verder uit door te stellen dat lerarenopleidingen (en ik vertaal dat nu naar ‘beroepsopleidingen’) zich zouden moeten bezighouden met het vormen van de hele persoon. En hij benadrukt daarbij dat hij daarmee niet een persoon als een privaat individu bedoelt, maar als een professional:

“De lerarenopleiding (lees: beroepsopleiding) draait niet slechts op het verkrijgen van kennis, vaardigheden en eigenschappen (kwalificatie), noch enkel om doen zoals andere leraren (lees: beroepsgenoten) doen (socialisatie), maar het begint met de vorming en omvorming van de persoon. Alleen van daaruit kunnen kwesties van kennis, vaardigheden en disposities, van waarden en tradities, competenties en bewijs ‘binnenkomen’. ” Aldus Biesta op pagina 197 van zijn boek.

Op het platform van hetkind.org plaatste Hartger Wassink onlangs een artikel dat hierbij aansluit: ‘Ausbilding versus bilding: leren voor een beroep vindt nooit los plaats’ (http://hetkind.org). De geur van de werkplaats, die typische combinatie van metaal, olie en rubber, en, hoewel de school waarschijnlijk al jaren rookvrij was, een zweempje tabak, zorgt ervoor dat de leerling van de opleiding Motorvoertuigentechniek zich thuis voelt en onmiddellijk weet waarvoor hij leert. Dat geeft motivatie en zin, in alle opzichten, concludeert Wassink. In de lijn van Biesta: juist daar kan je als lerende gevormd en omgevormd worden tot de persoon die je moet en wilt zijn in de branche van de motorvoertuigentechniek. En aanvullend: een praktijkopleider, die het vak verstaat, rolmodel kan zijn, weet hoe je in deze omgeving met elkaar omgaat, is daarbij onmisbaar. In het samenspel tussen de vakman/praktijkopleider en de docent die (theoretische) kennis toevoegt, vindt een veel betere aansluiting en verwerking plaats van de kennis en vaardigheden die je nodig hebt om een goed beroepsbeoefenaar te worden. Op deze manier krijg je de kans om in het beroep te groeien, iets wat in een klaslokaal onmogelijk lukt.

De onderwijspedagogische benadering van Biesta ervaar ik als een bevestiging voor mijn werk en missie om de beroepspraktijk een sterkere positie te geven in het beroepsonderwijs. Dagelijks maak ik in het werken met onderwijsteams mee dat die beroepspraktijk in denken en doen ver naar de achtergrond geraakt is: in het curriculum, in de ervaringskennis van de docenten, in het gemis van een directe samenwerking met praktijkopleiders, in de fysieke omgeving. Ik hoop dat het boek van Biesta ook in de wereld van ‘Leren voor een beroep’ een plaats gaat innemen, zodat de aandacht in beroepsopleidingen zich steeds meer gaat verplaatsen naar de beroepspraktijk waar we jongeren de kans geven te kunnen groeien in het beroep.

Mindshift in het beroepsonderwijs?

Vorige week was ik bij een bijeenkomst aanwezig waar Charles Jennings de keynote spreker was.  Een zaal vol met private opleiders en het thema was: ‘Vandaag effectief opleiden voor morgen.”  (http://www.nrto.nl/news/terugblik-werkconferentie-vandaag-effectief-opleiden-voor-morgen/ ). Charles Jennings heeft met succes het gedachtegoed van 70:20:10 naar de markt gebracht. 70:20:10 staat voor de ratio tussen verschillende manieren van leren: 70% = leren door te werken, 20% = leren in interactie (coaching/feedback), 10% = leren via formele trainingen en cursussen. Ik ben nog steeds erg gecharmeerd van  zijn korte en heldere animatie op youtube waarin hij zijn gedachtegoed laat zien: (http://www.youtube.com/watch?v=t6WX11iqmg0).

Eigenlijk doet Jennings in de wereld van bedrijfsopleidingen hetzelfde als wij (de Hybride Alliantie en met ons een groeiende groep mensen die dit gedachtegoed delen) in de wereld van beroepsonderwijs: vertellen en laten zien dat het anders kan en anders moet. Jennings begon zijn verhaal met een sheet waarop stond: 70:20:10: It’s not about the numbers! Ook al lijken de getallen een nauwkeurigheid te suggereren, zo is het niet bedoeld. Het is een richtlijn waarmee leren in organisaties in een bepaalde verhouding plaatsvindt. In feite gaat het om een keten van op elkaar afgestemde leeractiviteiten, die ieder op zichzelf bijdragen aan de gewenste resultaten (http://www.tulser.com/nl-nl/blog/66/249/59/gek_van_trainingen_in_organisaties_doe_de_702010!.aspx). Met het gedachtegoed achter de hybride leeromgevingen beogen wij hetzelfde. Niet met getallen, maar met kwadranten en een ruggengraatmodel willen we laten zien dat leren voor een beroep begint in de beroepspraktijk en vervolgens bestaat uit een reeks samenhangende leeractiviteiten die in verschillende contexten en in onderlinge verbinding de lerende steeds verder brengt in zijn of haar beroepsontwikkeling.

Charles Jennings noemde het woord ‘mindshift’ en dat spreekt me aan.

‘Learning is a process not an event. Learning is something we’re doing every day. We humans are learning machines. We can’t help but learn as we live and work.’  In het beroepsonderwijs leiden we jongeren op naar vakmanschap en burgerschap, maar we weten zeker dat de beroepen van vandaag niet hetzelfde zijn als die van morgen of overmorgen, zoals we ook zeker weten dat burgerschap verandert parallel aan de ontwikkeling van onze maatschappij. Juist ook voor het beroepsonderwijs is het dus van belang dat we leren niet als een incident zien, als een bepaalde afgebakende periode in je leven waarin je ‘naar school moet’; maar dat we jongeren bewust maken van het feit dat leren meer is dan een klaslokaal-docent-boek. De mindshift waar Jennings op doelt is in het beroepsonderwijs net zo hard nodig als in het bedrijfsleven.

Regelmatig ben ik betrokken bij meetings waarin betrokkenen in en rond het beroepsonderwijs bij elkaar komen. De laatste tijd valt het me op dat twee reacties vaak en veel boventoon voeren. Twee reacties die mij doen concluderen dat de mindshift in het beroepsonderwijs nog behoorlijk wat tijd zal kosten.

Ten eerste de neiging van veel betrokkenen om te schermen met alle veranderingen die het onderwijs de afgelopen jaren heeft moeten ‘ondergaan’. “Alle nieuwe visies zijn goed, als we maar niks in het systeem veranderen” hoor ik nogal eens verzuchten. Er wordt geroepen dat men moe is, dat de energie wegebt en dat de onrust die ‘de politiek’ steeds weer inbrengt vruchteloos is; dat sommige eisen (bijvoorbeeld aan Nederlands en rekenen) nu eenmaal dwingen om klassikaal traditioneel op te leiden. Natuurlijk zit hier een kern van waarheid in en zie ik ook wel dat de regelgeving verlammend kan werken, omdat er vanuit het beleidskader vaak te weinig rekening gehouden wordt met de dagelijkse werkelijkheid. Maar in zulke uitspraken mis ik de beroepstrots, mis ik een visie op lange termijn, mis ik de drive om ook in je eigen vakgebied mee te bewegen met wat de snel ontwikkelende maatschappij nu eenmaal van ons vraagt. Een mindshift in denken kan helpen om veel van wat het onderwijs ‘overkomt’ om te zetten naar een constructieve visie op waar het naartoe moet. Mooie voorbeelden laten zien dat het kan, daar kunnen we ons aan vast houden en door laten inspireren. Dat geeft meer energie dan ruimte te geven voor vasthouden aan het bestaande. Met het gedachtegoed van de hybride leeromgevingen proberen wij te laten zien dat je door slimmer te verbinden verder kunt komen dan door meer te polariseren (http://www.youtube.com/watch?v=81pZIi0CmRY).

De tweede reactie is dat men direct geneigd is om een nieuwe visie of ontwikkeling in een ‘systeem, model of concept’ te zetten. En zodra we dat doen, geeft het ruimte om ‘tegen’ of ‘voor’ te zijn, geeft het gelegenheid om nieuwe gedachten te verwerpen omdat ze oude gewoontes, bekende grenzen en kaders en herkende routines lijken tegen te spreken en we die nou eenmaal graag blijven beschermen. Een ‘mindshift’ is echter een verschuiving in je manier van denken, veroorzaakt door het creëren van iets dat ontstaan is uit een balans tussen verworven inzichten en innovatie, wat vervolgens leidt tot een mentaliteitsverandering. Het is vaak geen afwijzing van het oude, het gaat om een andere manier van kijken, waardoor er nieuwe contexten ontstaan. Je hoeft de regelgeving niet altijd aan te passen maar je kunt het wel creatiever toepassen, zo laten de mooie voorbeelden van de Middelbare Horeca School (http://www.youtube.com/watch?v=Filwz-iFRn0&feature=youtu.be) en de TechniekFabriek (http://www.youtube.com/watch?v=_La6zO-J5BY) ook zien. Creatief toepassen van de regelgeving is geen ontkenning of ontduiking; het gaat om het toepassen vanuit een visie, niet op beroepsonderwijs alleen, maar breder: een visie op leren voor een beroep.

Ik merk dat het gedachtegoed achter de hybride leeromgeving te vaak en te gemakkelijk gezien wordt als een concept, waar je blijkbaar tegen kunt zijn. Maar hoe kan je in het beroepsonderwijs tegen het verbinden van schoolse leerprocessen aan leerprocessen in de beroepspraktijk zijn? Hoe ver zijn we gekomen dat we het intrinsiek hybride karakter van het beroepsonderwijs kwijt zijn geraakt in onze begripsvorming? Antwoorden op deze vragen helpen niet verder, wel het besef dat we moeten blijven werken aan die mindshift bij allen die betrokken zijn bij het beroepsonderwijs. Dat betekent veel in gesprek met elkaar, veel publiceren, veel voorbeelden gaan ‘maken’ die laten zien dat het anders kan. Volgens mij betekent dat een sterkere visie ontwikkelen voor “leren voor een beroep’.

Ter afsluiting een voorbeeld van Jay Cross (2007) over de verschillen tussen formeel en informeel leren: “Formeel leren is te vergelijken met het nemen van de bus. Er is geen invloed op de bestemming anders dan de bus van keuze. Terwijl de fietser de mogelijkheid heeft om onderweg een andere route te kiezen of handige aanpassingen te kiezen.” Misschien moeten we toch gaan werken aan een goed fietspadenplan….

Leren voor een beroep kan ook anders!

Beroepsonderwijs: het kan ook anders! Met deze uitspraak zijn de leden van de Commissie Beroepsonderwijs van VNO/NCW en MKB Nederland op 1 juli j.l. uitgenodigd voor een werkbezoek aan de TechniekFabriek van de NS (www.techniekfabriek.nl).  De uitnodiging kwam van de Hybride Alliantie i.o.: samenwerkende partners voor het (door)ontwikkelen van hybride leeromgevingen in het beroepsonderwijs, waarin leren en werken worden verweven. Een mondvol, maar een interessant initiatief.

In de afgelopen jaren zijn op meerdere plaatsen hybride leeromgevingen ontstaan en is er hard gewerkt aan het verder ontwikkelen van het gedachtegoed. Het concept is vanuit meerdere perspectieven herhaaldelijk als ‘veelbelovend’ aangemerkt. Ondanks dat de term ‘hybride’ nog steeds wel een aarzeling of zelfs weerstand oproept, zien we het begrip toch steeds vaker op meerdere plaatsen opduiken. (Zie ook: http://innovisier.hetplatformberoepsonderwijs.nl/maart2014/coverpagina?preview=e0c4bbab3506d43a105928338f1ea153cf6b3e29)

De Hybride Alliantie wil de toekomst gebruiken om ‘leren voor een beroep’ een nieuw perspectief mee te geven door onderwijs, bedrijfsleven, overheid & onderzoek te laten kennismaken met het gedachtegoed van ‘hybride leeromgevingen’ en meer praktijken te ontwerpen & ontwikkelen. Partners van de Alliantie zijn: Koning Willem I College, NS/NedTrain, de Leermeesters, Hogeschool Arnhem Nijmegen (Kenniscentrum Kwaliteit van Leren), het ECBO en het Lectoraat beroepsonderwijs van de Hogeschool Utrecht.

Een groep van 16 belangenbehartigers voor diverse branches kwam naar de TechniekFabriek in Amsterdam. Een divers gezelschap: vertegenwoordigers van de kinderopvang, metaalsector, detailhandel, thuiszorg, ict, mode, transport & logistiek, de private opleiders en SBB, MBO Raad, OCW en EZ. Conform ons eigen gedachtegoed werd de groep eerst meegenomen in de opzet en aanpak van de TechniekFabriek door projectmanager Koen Sueters. Aansluitend presenteerde ik het gedachtegoed achter het concept en de manier waarop we deze ook in andere sectoren hebben vormgegeven, bijvoorbeeld bij de Middelbare Horeca School in Den Bosch (zie: https://www.youtube.com/watch?v=Filwz-iFRn0). ‘Gewapend’ met veiligheidsschoenen en veiligheidshesjes werd de groep vervolgens in kleine groepjes rondgeleid door de TechniekFabriek en de onderhoudslocatie Amsterdam, waar deze opleiding gevestigd is.

Het gesprek dat volgde op deze kennismaking met het gedachtegoed was levendig en uitermate positief en constructief. Zoals we wel vaker tegenkomen als we het concept presenteren en met mensen in gesprek gaan, zagen we hier ook het werkbezoek als ‘eye-opener’ werken. De aanpak en werkwijze laat zien dat werk het leren wel degelijk kan sturen, dat onderwijs zeker dicht bij het werk / bedrijfsleven kan komen. We tonen een antwoord op een kernvraagstuk van het beroepsonderwijs, namelijk: hoe verbinden we schools leren aan leren op de werkplek?

En dan helpt een best practise, waar ook nog elke dag vraagstukken opgelost moeten worden die gisteren nog niet bedacht waren. Neergezet door bedrijf en onderwijs die het lef hebben gehad om het anders te gaan doen.  En zo’n voorbeeld als de TechniekFabriek is dan niet voorschrijvend, maar inspireert hoe het ook anders kan: hoe je als bedrijfsleven de lead kunt (en soms moet) nemen om vervolgens een gelijkwaardige relatie op te bouwen waar je samen optrekt, hoe je landelijke dekking en regionale contacten kunt combineren, hoe je zowel op niveau 2 als op niveau 4 vanuit dezelfde visie kunt leren en werken. Onze ervaring in andere beroepsgroepen illustreert daarbij de brede mogelijkheden van deze omslag.

Wat kunnen de vertegenwoordigers van VNO/NCW en MKB Nederland hiermee? Als eerste het woord verspreiden, betoogde een van de aanwezigen: het heersende concept is al 30 jaar hetzelfde; het is tijd voor verandering! Verder: laat nog meer zien dat angst niet nodig is, maar wel een sterke visie; bedrijfsleven, neem meer je verantwoordelijkheid en werk samen met het onderwijs. Denk vooruit en ga aan de slag! Een deelnemer: “Ik ben aangenaam verrast door dit concept. Het is bijna te mooi om waar te zijn.”

De Hybride Alliantie i.o. heeft met deze leden van de Commissie beroepsonderwijs van VNO/NCW en MKB Nederland nieuwe partners op haar weg gevonden, mensen die net als wij geloven en (willen) zien dat het anders kan. Denken vanuit de beroepspraktijk en niet vanuit de schoolse regels en beperkingen, biedt hele nieuwe mogelijkheden om leren voor een beroep aantrekkelijker te maken.

 

 

 

Samenwerken met het bedrijfsleven daagt het onderwijs uit

Voor de site van “Ondernemenderwijs” (www.ondernemenderwijs.nl) ben ik gevraagd in een column te reageren op de recente brief van Minister Bussemaker betreffende het mbo. Dit is de tekst van de column:

‘Ruim baan voor vakmanschap’ noemt Minister Bussemaker haar brief aan de Tweede Kamer van 2 juni j.l., waarin ze pleit voor een toekomstgericht mbo. Zoals altijd wanneer de Minister van zich laat horen en in het bijzonder wanneer het over het mbo gaat, leidde de brief weer tot veel reuring in onderwijsland en in de pers. Al snel wordt de conclusie getrokken dat het mbo ‘weer op de schop moet’, terwijl de Minister daar mijns inziens niet voor pleit.

Ze beschrijft een aantal maatregelen die het beroepsonderwijs innovatiever, kleinschaliger en regionaler moeten maken; de meeste van deze ideeën zijn in de roc’s allang bekend en in voorbereiding (zoals de kortere opleidingen en de herziene kwalificatiestructuur).

Aan de werkelijke boodschap die de Minister probeert uit te zenden, worden echter nog niet zoveel woorden gewijd: zij zet de deuren open om ruimte te creëren ‘voor het onderwijs om in samenwerking met al zijn partners de handschoen op te pakken’ en het beroepsonderwijs te moderniseren. Dat wil zeggen: aansluiten bij de arbeidsmarkt, zodat ‘het mbo-onderwijs ook in de toekomst zijn belangrijke opdracht voor de samenleving en economie kan vervullen’. De ruimte die nu geboden wordt, wordt onder andere zichtbaar in de mogelijkheid om bol- en bbl-opleidingen te mogen stapelen, zoals in de TechniekFabriek van NedTrain met succes gebeurt en om subsidie aan te vragen waarmee een samenwerking tussen school en bedrijfsleven ondersteund kan worden (regionaal investeringsfonds van 100 miljoen).

De samenwerking met het bedrijfsleven is de grootste uitdaging voor het beroepsonderwijs van vandaag de dag. De schaalgrootte van roc’s die in de afgelopen jaren onaangename proporties heeft aangenomen, maakt de slagkracht en wendbaarheid van het onderwijs niet beter. Ik hoor nogal eens zeggen dat het onderwijs ‘natuurlijk’ achter de actualiteit aanloopt. Als deze opmerking betrekking heeft op het beroepsonderwijs, ben ik daar iedere keer weer door geschokt; we hebben blijkbaar al als een gegeven aangenomen dat je als onderwijs geen poging meer doet om ‘leading’ te worden, om je in de voorhoede van de beroepsontwikkeling te begeven. En ja, dat kan ook niet als je jezelf zo groot maakt dat er geen zicht meer is op wat er werkelijk op de werkvloer van je partners plaatsvindt. Natuurlijk hebben de talloze beleidsmaatregelen van de overheid in de afgelopen jaren bijgedragen aan deze afstand tussen het beroepsonderwijs en de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. De Commissie-Kaljouw (Commissie Innovatie Zorgberoepen en Opleidingen) moest helaas in 2013 concluderen dat ‘docenten met de kennis van gisteren leerlingen van vandaag moeten voorbereiden op de arbeidsmarkt van morgen’.

We lossen de fundamentele waterscheiding die ontstaan is tussen beroepsonderwijs en bedrijfsleven niet op door enkele beleidsmaatregelen: we zullen aan de slag moeten met een stevige cultuurverandering, die naar mijn idee plaats moet vinden in de omgevingen waar het leren zou moeten plaatsvinden: op de werkvloer en in de onderwijspraktijk.

De ontwikkeling van hybride leeromgevingen past heel goed in dit perspectief.

Het middelbaar beroepsonderwijs heeft in de basis een intrinsiek hybride karakter: het heeft de opdracht schoolse leerprocessen te verbinden met leerprocessen die plaatsvinden in de beroepspraktijk. In de dagelijkse onderwijspraktijk blijkt het leggen van die verbindingen een complex vraagstuk. Het mbo bereidt studenten voor op de toekomstige beroepspraktijk door een veelal gefragmenteerd aanbod van theorie en praktijk. Een aanbod dat zich afspeelt binnen de schoolmuren en in wisselende praktijksituaties, van praktijkruimtes tot stages en leerbanen in bedrijven of instellingswezen. In de nu gangbare mix blijkt het lastig om te komen tot consistente, integrale leeromgevingen. In het concept van ‘hybride leeromgevingen’ wordt gezocht naar het verweven van de sterke kanten leren in praktijksituaties met de sterke kanten van meer schools leren.

In zijn oratie ter aanvaarding van het ambt van hoogleraar Onderwijsarbeidsmarkt aan de Universiteit van Tilburg op 6 juni j.l. refereerde prof. dr. Marc van der Meer aan het belang van de ontwikkeling van hybride leeromgevingen: “Voor de toekomst van het beroepsonderwijs is de kunst de combinatie van theoretische en ervaringskennis, vaardigheden en houdingen productief te maken en in onderwijsprogramma’s te vertalen.”

Mijn ervaring van de afgelopen jaren met het ontwikkelen van beroepsgerichte –hybride- leeromgevingen is dat dit allemaal wel evident lijkt te zijn als je het leest, maar juist in de praktijk weerbarstig is. De oude, archetypische opvattingen over leren spelen zowel de medewerkers in het bedrijfsleven (waar nog steeds heel veel mensen naar een training buiten de werkplek gestuurd worden) als de opleiders in het onderwijs (die vastgeroest lijken te zitten in een urenrooster, methodes, klaslokalen) parten. En ook de buitenwereld beoordeelt het mbo naar de maatstaven van begrippen die als vanzelfsprekend bij onderwijs horen.

Een mooi voorbeeld hiervan is het artikel dat in de Volkskrant stond naar aanleiding van de brief van Bussemaker (2 juni 2014). De journalist refereert aan de TechniekFabriek als goed voorbeeld van een gecombineerde leerweg en schrijft: ‘In het eerste deel krijgen de studenten vooral les op school, in het tweede deel gaan ze aan de slag in het bedrijf’. De Minister schrijft in haar brief echter iets anders, dat beter genuanceerd is en dichter in de buurt komt van de werkelijkheid: “In het eerste schooljaar wordt in dagonderwijs gewerkt aan veiligheidsaspecten en reële praktijksituaties waardoor studenten in het tweede schooljaar goed voorbereid zijn voor werkzaamheden bij NedTrain.” In de werkelijkheid krijgen de studenten van de TechniekFabriek geen les op school, maar werken en leren zij op een locatie van NedTrain iedere dag aan het ontwikkelen van treinkennis in het brede perspectief van de opleiding Mechatronica. De docenten van het ROC komen naar de locatie van de beroepspraktijk toe en werken daar nauw samen met de praktijkopleiders van NedTrain.

Het gedachtegoed van de hybride leeromgevingen sluit aan bij de uitdaging die de Minister biedt aan het onderwijs om meer te gaan samenwerken met het bedrijfsleven. Enkele goede voorbeelden, de Middelbare Horeca School in den Bosch die een bedrijf in de school realiseerde en de TechniekFabriek van NedTrain waar de ‘school’ in het bedrijf geplaatst is, helpen om het gedachtegoed te verbeelden en te laten zien dat het mogelijk is om de aansluiting op het niveau van onderwijs en werkplek te organiseren. De ontwikkeling van de Centra voor Innovatief vakmanschap en de Centres of Expertise die vanuit de topsectoren zijn opgezet, geven veel ruimte om meer hybride leeromgevingen te ontwikkelen en de kennis en het gedachtegoed verder te verspreiden.

Mijn idee: spread the word en ga de uitdaging aan!

 

Scheefgroei

Al een geruime tijd maak ik me druk om de praktijkopleiders in het mbo. Niet dat ze zorg nodig hebben, maar omdat ik vind dat deze belangrijke groep professionals in het onderwijs ondergewaardeerd wordt en relatief te weinig aandacht krijgt als we spreken over professionaliseren van het beroepsonderwijs.

Als ik spreek over praktijkopleiders dan heb ik het over alle vakmannen en vakvrouwen die in meer of mindere mate betrokken zijn bij het opleiden van deelnemers in het beroepsonderwijs en geen docent zijn (geworden). Ze hebben verschillende benamingen: instructeur, gastdocent, onderwijsassistent, werkbegeleider, leermeester in leerbedrijf, praktijkbegeleider, werkmeester, praktijkopleider.

In de beroepsvorming van beginnend beroepsbeoefenaren is de rol van de praktijkopleider van groot belang: “De rol van de werkbegeleider is meer dan alleen het begeleiden van studenten: hij heeft ook een taak in het begeleiden van (aanstaande) professionals in de eerste fasen van hun beroepsmatige ontwikkeling. Hoe beter zij beginnende professionals ondersteunen in de fasen van overleven, hoe eerder deze kunnen toegroeien naar ervaren vakmensen.” (Van Alten, 2012).

Het SBO noemt het mbo in haar arbeidsmarktanalyse 2011 ‘een sector met ervaring’: het merendeel van het personeel werkte elders (lang) in loondienst. Toch word je pas echt erkend in het beroepsonderwijs als je een diploma hebt gehaald dat vergelijkbaar is met een docentenopleiding. Zelfs de korte variant van het pedagogisch-didactisch getuigschrift, bedoeld voor zij-instromers en meestal een looptijd van een jaar, zorgt er nog niet voor dat de vertegenwoordigers van de beroepspraktijk serieus genomen worden in hun eigen expertise.

De Minister is van plan om een flinke impuls te geven aan de kwaliteit van de docenten in het beroepsonderwijs. Daar ben ik natuurlijk ook blij mee. Ze geeft de lerarenopleidingen de opdracht een uitstroomvariant beroepsonderwijs aan te bieden, versterkt het zij-instromers-aanbod en voert educatieve minors in. Mits goed uitgevoerd stuk voor stuk prima maatregelen. Maar wel heel erg eenzijdig!

Want realiseert de Minister zich wel dat slechts 8% rechtstreeks na afronding van de lerarenopleiding het mbo instroomt?  Is een forse investering in voornamelijk de lerarenopleidingen daarom wel een verantwoorde keuze? Ik denk het eerlijk gezegd niet.

Voor zover ik kan overzien maakt niemand zich echt druk over de praktijkopleiders en hoe we die kunnen professionaliseren. ‘Het bedrijfsleven wil daar niet in investeren’ is een veelgehoord en in mijn ogen dooddoend argument. Nee, een opleiding van 4 jaar aanbieden aan praktijkopleiders, daar zit niemand op te wachten. En dat is ook helemaal niet nodig. Mij gaat het erom dat we het vak serieus gaan nemen. Dat praktijkopleiders in een adem door als gelijkwaardig gezien worden met de docent. En dat kan alleen als de beroepsbekwaamheid van de praktijkopleider evengoed op expertniveau erkend wordt als de pedagogisch-didactische bekwaamheid van de docent. Dat is de enige weg om ervoor te zorgen dat de scheefgroei die al geruime tijd aan de gang is, niet gaat ontsporen. Als we die eenzijdige aandacht niet tegenhouden, zal het mbo pas echt verschoolsen!

Het wordt tijd dat er een ontwikkelingspad uitgezet wordt voor praktijkopleiders, waarbij de senioriteit van hun eigen vakgebied als uitgangspunt genomen wordt. Een groei op de weg van vakbekwaamheid die aangevuld wordt met de pedagogisch-didactische principes van het beroepsonderwijs. Maar dan wel gericht op de didactiek van de beroepspraktijk (en niet die van het klaslokaal!) en op hun rol in de beroepsvorming. Precies omgekeerd evenredig aan de ontwikkeling van een mbo-docent, die eerst senioriteit ontwikkelt op het pedagogisch-didactisch domein en zich dan specialiseert in een beroepsgroep.

 

 

Wat kan het mbo leren van het Finse onderwijs?

“We want to have a schoolsystem where everybody has an opportunity to succeed.”

Pasi Sahlberg zegt het met een vanzelfsprekendheid die je doet afvragen waarom hij dit zegt. Dat willen wij in Nederland toch ook? Dat is toch wat iedere betrokkene in het onderwijs -leraar, manager, ontwikkelaar, ondersteuner, opleider- als basiswaarde nastreeft?

In een masterclass in een hotel in Amsterdam, 16 januari 2013, zal deze onderwijsman-in-hart-en-nieren uit de doeken doen waarom dit doel in Finland echt anders wordt gerealiseerd. De grote groep aanwezigen hangt aan zijn lippen. Op Twitter wordt ‘geklaagd’ dat het moeilijk twitteren is als het verhaal zo boeiend is; in de pauze wordt er druk gediscussieerd; ik zie alleen maar positieve en enthousiaste tweets voorbijkomen op mijn timeline waar normaal gesproken ook een heleboel kritische geluiden te vinden zijn; ik voel en beleef weer eens het heerlijke gevoel ‘aan iemands lippen te hangen’.

En vraag me tegelijkertijd voortdurend af wat we hiermee kunnen in het mbo.

Pasi Sahlberg is Director General van CIMO (Centre for International Mobility and Cooperation) bij het Finse Ministerie van Onderwijs en Cultuur. Hij is auteur van het boek ‘Finnish lessons’ en maakt een driedaagse reis door Nederland om te spreken over zijn boek en de achtergronden van het Finse onderwijssucces.

Het verhaal van Pasi Sahlberg laat zich voor mij samenvatten in enkele sleutelbegrippen: collectieve kracht, verantwoordelijkheid, vertrouwen, gepersonaliseerd leren en vakmanschap. Zo in een rijtje staand lijkt dit een logische opsomming, maar als je er dieper op in gaat, zie je dat het onderwijs juist op deze begrippen in Nederland nog heel vaak een scheef beeld laat zien.

Ik geloof dat het mbo zich in de laatste jaren aan het ‘losmaken’ is om haar eigen identiteit te realiseren en daar erkenning voor te krijgen. Het beroepsonderwijs kan niet met dezelfde maten gemeten worden als het overige onderwijs. Opleiden voor een beroep vraagt om andere leerprocessen dan opleiden voor een nog willekeurige plaats in onze samenleving. Het vraagt om andere betrokkenheid van de omgeving (bijvoorbeeld de nabijheid van het bedrijfsleven) en andere vaardigheden van de opleiders (bijvoorbeeld praktijkkennis). In de termen van Sahlberg zit het mbo naar mijn idee nog op de wip tussen enerzijds ‘teacher professionalism’ (the Finnish way) en anderzijds ‘market manageralism’ (Global Educational Reform Movement sinds begin jaren negentig).

“Dit suggereert niet dat er een zwart-wit onderscheid is tussen deze elementen in Finland en de andere landen. Maar misschien maakt het wel duidelijk dat een goed onderwijssysteem bereikt kan worden met een beleid dat haaks staat op het beleid dat vaak gepromoot wordt in de wereldwijde onderwijsbeleidsmarkt.” (p.145)[1]

Dus wat kan het mbo dan leren van de successen van Finland, vertaald in de sleutelbegrippen?

In het mbo is het samenwerken met collega’s een noodzaak voor het verzorgen van goed onderwijs. Beroepsonderwijs kan immers niet volstaan met pedagogische en didactische kwaliteiten op basis van een deel van de beroepskennis: het vraagt ook om praktijkkennis, om beroepspedagogiek en om loopbaanbegeleiding. Prof. Dr. Loek Nieuwenhuis, hoogleraar Open Universiteit/Look en lector Beroepspedagogiek Kenniscentrum Kwaliteit van Leren aan de HAN, noemt dat een extended team. Hier past geen competitie, niet onderling tussen opleiders en niet tussen teams. Collectieve kracht komt voort uit het waarderen van de gezamenlijke opdracht en gaat uit van netwerken, van ‘helping one another’:

“Veel Finse scholen zijn op grond van de unieke invulling van het leraarschap en de manier waarop er gewerkt wordt, professionele leergemeenschappen te noemen.” (p.89)

Het Ministerie van OCW in Nederland lijkt de grip op de resultaten van het beroepsonderwijs te willen versterken door centrale examinering en het aantrekken van de norm voor onderwijstijd en neemt daarmee de verantwoordelijkheid weg van de scholen en onderwijsteams. De pedagogische verantwoordelijkheid van de beroepsgroep wordt daarmee feitelijk geminacht door de beleidsmakers. Finland laat zien dat juist het erkennen van die professionaliteit de kwaliteit van het onderwijs omhoog laat gaan.

“Leraren en schoolleiders spelen een hoofdrol in curriculum- en schoolplanontwikkeling. (p.124) De algemene opvatting in Finse scholen is dat leraren goed opgeleide professionals zijn, die zich op school van hun beste kant willen laten zien. In een echte professionele leeromgeving vertrouwen leraren elkaar, communiceren zij vaak over het leren en lesgeven en vertrouwen zij op de begeleiding en het leiderschap van hun schoolleider. “(p.127)

Het mbo kan deze handschoen oppakken door, ondanks de overheidsmaatregelen, te laten zien dat samenwerking en vertrouwen, erkenning van de verschillende opleiders in het mbo, maar ook de permanent kritische blik op omgevingsfactoren de verantwoordelijkheid van teams alleen maar versterkt. Ik zie hier en daar de voorbeelden van leraren, onderwijsteams, schoolleiders die zich niet laten afleiden door de steeds stevig wordende grip van het Ministerie, die uitgaan van hun autonomie en professionele oordeelvermogen. Gelukkig maar. Het overgrote deel van de leraren en schoolleiders laat zich in mijn ogen echter nog steeds in een hoek drukken, lamgeslagen door alles ‘wat hen overkomt’ of ‘wat over hen heen gestrooid wordt’. Laten we leren van de Finnen en juist deze kracht bij elkaar versterken, niet van bovenaf, maar vanuit het vakmanschap op de werkvloer en de dagelijkse praktijk van het beroepsonderwijs!

Zoals Sahlberg zegt: Go standing for your own profession!

“Always go back to the basic question: is it good for the children?” maande Sahlberg ons. Hij noemt dat gepersonaliseerd leren. Die term spreekt me aan en past mijns inziens ook heel goed op het beroepsonderwijs. Sahlberg bedoelt: kijk naar de leerling en pas je leerinterventies daarop aan. In Nederland spreken we dan graag van maatwerk, ook om maar te vermijden dat het om individuele aandacht gaat. Want dat is niet de bedoeling. Nooit vergeten zal ik de uitspraak van de docent die me omslachtig uitlegde waarom hij het zo moeilijk vond om leerlingen als individuen te zien: elk uur, zes keer per dag, had hij immers een andere groep van 25-30 leerlingen voor zich. Om zichzelf daarin overeind te houden, zag hij iedere klas als één leerling, waarop ik wanhopig zuchtte dat ik blij was dat mijn kind geen leerling van hem was. Het is geen exemplarisch voorbeeld, het is het gevolg van ons systeem dat we steeds maar weer proberen te standaardiseren en stroomlijnen.

“Gepersonaliseerd leren en differentiatie werden basisprincipes voor de organisatie van het onderwijs aan alle leerlingen in de samenleving.” (p.83)

Wat kan het mbo leren van het Finse onderwijs?

Finland laat ons –goddank- zien dat het ook anders kan. Dat juist de hoge professionaliteit van het team van opleiders, de professionele ruimte en de pedagogische verantwoordelijkheid die zij ervaren, de sleutels zijn voor succesvol onderwijs.

Pahlberg spreekt over de ‘Fourth Way’, beschreven door Hargreaves en Shirley,2009:

“The Fourth Way is de weg van inspiratie en innovatie, van verantwoordelijkheid en duurzaamheid. De Fourth Way stuurt hervormingen niet onophoudelijk via leraren. Zij gebruikt hen niet als doorgeefluik van overheidsbeleid en demotiveert hen niet met veranderingen die gedefinieerd zijn door korte-termijn politieke agenda’s en de belangen die daar meestal mee gemoeid zijn. Het zorgt juist voor een samengaan van overheidsbeleid, professionele betrokkenheid en publiek engagement rond een inspirerende sociale en onderwijskundige visie van gelijke kansen, welvaart en creativiteit in een inclusieve wereld met meer veiligheid en menselijkheid.” (p.149)

Ik denk dat het nog niet te laat is voor het mbo. De discussie over het opleiden van opleiders is volop gaande. Ook beleidsmakers zien steeds meer in dat het mbo een speciale plaats inneemt in ons onderwijsbestel. We kúnnen leren van de Finnen!

Let’s go the Fourth Way!


[1] De citaten en paginanummers zijn afkomstig uit het boek van Sahlberg: Finnish lessons (2011). Uitgeverij Onderwijs maak je samen, Helmond. Verkrijgbaar in Engels en Nederlands.